Europees vuurwerk en wapenexport

Vorige week werd aan de 'Torre de Belém' vuurwerk afgestoken voor de inwerkingtreding van het verdrag van Lissabon. Kersvers EU-president Van Rompuy, de nieuwe 'buitenlandminister' Ashton en de pas geïnstalleerde Europese Commissie genoten van dit startschot voor een nieuwe episode in de Europese geschiedenis. In de schaduw van het feestgedruis wordt deze week ook één kaarsje uitgeblazen voor een van de vele documenten die het beleid van de Unie en haar lidstaten stuurt: het Gemeenschappelijk Standpunt over wapenexport dat op 8 december 2008 door de ministers van buitenlandse zaken van de EU werd ingenomen. Vraag is of er reden is tot feesten, in het licht van de op handen zijnde liberalisering van de defensiemarkt.

Het Gemeenschappelijk Standpunt van vorig jaar, verving de in 1998 overeengekomen Europese gedragscode voor wapenhandel. Het doel is ervoor te zorgen dat alle 27 lidstaten bij het vergunnen van wapenexport dezelfde overwegingen maken als het aankomt op bijvoorbeeld mensenrechtenschendingen, gevaar voor het aanwakkeren van conflicten, of de mogelijkheid dat de wapens uiteindelijk in verkeerde handen terecht komen. Tekst en inhoud van het gemeenschappelijk standpunt en de gedragscode verschillen nauwelijks, maar in het streven naar meer vrede en veiligheid was de opwaardering van code naar standpunt een stap vooruit: een gedragscode is slechts een politiek engagement, terwijl een Gemeenschappelijk Standpunt in het EU-jargon meer gewicht heeft. De bepalingen in het standpunt zijn dan wel niet afdwingbaar, maar toch juridisch bindend voor de lidstaten (soft law). De EU lijkt zich er dus van bewust dat het noodzakelijk is bij het ontwikkelen van een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid ook naar harmonie te streven in het wapenexportbeleid dat de lidstaten voeren. Voor vele mensen binnen en buiten de Unie is dat letterlijk van levensbelang.

Bij de verjaardag van dit Gemeenschappelijk Standpunt is het ook belangrijk de aandacht te vestigen op een recente richtlijn die de regels voor wapenhandel tussen EU-lidstaten aanzienlijk versoepelt. Daardoor kan militair materieel vanaf 2012 veel gemakkelijker bewegen binnen de ééngemaakte markt. In de Europese constructie is het logisch dat de lidstaten elkaar voldoende vertrouwen om militaire goederen aan elkaar te leveren zonder een doorgedreven controlesysteem. Bovendien gaat het veelal om onderdelen van grotere wapensystemen, waardoor Europese fabrikanten makkelijker kunnen samenwerken, de Europese defensiegerelateerde industrie wordt aangezwengeld en sterker staat op de wereldmarkt. Een dergelijke liberalisering houdt steek vanuit een zuiver economisch oogpunt, maar brengt echter ook risico's met zich mee voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

Het verband tussen het gemeenschappelijk standpunt met de criteria voor wapenexport vanuit de EU en de richtlijn die de defensiemarkt binnen de EU liberaliseert, is dus belangrijk. Voor het controleren van wapenhandel met landen en personen buiten Europa, is de ketting immers maar zo sterk als de zwakste schakel: alle lidstaten dienen hetzelfde beleid te voeren wat wapenexport met de rest van de wereld betreft. Indien niet, zoekt de handel als vanzelf de weg van de minste weerstand, de lidstaat met de laagste standaarden. Bovendien moet een dergelijk geharmoniseerd beleid afgestemd zijn op het Europese buitenlands beleid waarin Europa zich als een normatieve macht profileert die streeft naar meer vrede en veiligheid. Indien niet, wordt achter een façade van goede intenties de achterdeur opengezet voor exporten die ten koste gaan van vrede en veiligheid.

Ook na het innemen van het Gemeenschappelijke Standpunt lopen de standaarden die de lidstaten hanteren voor wapenexport in de praktijk echter nog steeds ver uiteen. Terwijl het voor de ene lidstaat uit den boze is om wapens aan een bepaald land te leveren, sluit een andere met datzelfde land monstercontracten af. Ondertussen wordt de liberalisering vanaf 2012 wel een feit. Harmonisering en liberalisering zijn momenteel dus niet in evenwicht, mede omdat ze niet met gelijke wapens aan de start komen: een Europese richtlijn moét door de lidstaten worden omgezet, een standpunt is slechts 'soft law'. Het ecomonische luik (de liberalisering van de defensiemarkt) zit met andere woorden in pole position en het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (de normatieve criteria voor wapenexport) is op achtervolgen aangewezen. Ook in dit verband lijkt de Unie een 'Europa van twee snelheden' te zijn, waardoor de verjaardag van het veelbelovend gemeenschappelijk standpunt een wat wrange nasmaak krijgt. Als Europa zich als 'normative power' ook geloofwaardig wil profileren op het wereldtoneel, is een inhaalbeweging nodig. Hopelijk gaan de kersverse Europese excellenties en het Belgische voorzitterschap in 2010 op de trappers staan.

Tomas Baum, directeur Vlaams Vredesinstituut