Waarom (niet) investeren in militair onderzoek?

Van tijd tot tijd flakkert in Vlaanderen het debat op over de wenselijkheid van overheidssteun aan onderzoek en ontwikkeling (O&O) met een militaire finaliteit. Het gebruik van overheidsgeld om innovatie te ondersteunen is gangbaar. Vanuit een bedrijfseconomische logica zijn belastingverminderingen of financiële steunmaatregelen altijd welgekomen. Een overheid dient zich echter vanuit een algemeen belang te bezinnen over de bredere effecten die welbepaalde steun genereert.

Los van het eventuele nut op het vlak van veiligheid en defensie, argumenteren voorstanders van steun aan militaire O&O dat dergelijke investeringen de concurrentiepositie, technologische innovatie, tewerkstelling en de economie in haar geheel ten goede komen. Ze stellen dat in de militaire sector baanbrekend technologisch onderzoek wordt verricht dat daarna toepassingen vindt in de civiele sector. Daarbij wordt verwezen naar spin-offs zoals internet, GPS, satelliettoepassingen, enz. De innovatieve onderzoeks- en ontwikkelingsomgeving in de militaire sector zou dan te danken zijn aan het feit dat tijdsdruk, financiële beperkingen en de nood aan opbrengst minder groot zijn dan in de civiele sector. In deze logica geldt de militaire markt als avant-garde van de technologische ontwikkeling.

Tegenstanders hanteren in de eerste plaats principiële en ethische argumenten tegen het ondersteunen van een militair apparaat, maar verwerpen ook de economische argumenten van de voorstanders. Zowel de directe resultaten van militair onderzoek als eventuele civiele toepassingen die eruit voortvloeien, zouden onbeduidend zijn in verhouding tot de middelen die erin worden geïnvesteerd. Sommigen stellen vast dat militaire O&O niet langer de civiele technologische innovatie aandrijft maar andersom: door het performante en hoogtechnologische karakter van civiele O&O, is de militaire sector meer en meer geënt op output van die civiele sectoren, zoals elektronica en informatietechnologie (de zogenoemde 'spin-ins'). Bovendien maakt de geheimhouding dat militaire vindingen moeilijk doorstromen naar de civiele sector.

Beide standpunten voeden tegenovergestelde stellingnamen in het politieke en maatschappelijke debat. Belangengroepen in de maatschappij verdedigen hun specifieke activiteiten. Een overheid dient hierboven uit te stijgen en een algemeen belang waar te nemen. Bijgevolg dienen beleidsmakers de bredere impact van steunmaatregelen te evalueren en keuzes te maken. Uit het onderzoek 'Economische impact van militaire O&O' dat op 3 juni 2008 in het Vlaams Parlement werd voorgesteld, blijkt dat innovatiesteun aan militaire O&O in ontwikkelde landen geen economisch voordeel brengt. De auteurs van het rapport, de Britse defensie-economen Braddon en Dunne, wijzen er op dat de defensie- en ruimtevaartindustrie, vroeger toonaangevend in de O&O sector, niet langer de meest onderzoeksintensieve sectoren blijken te zijn. Nieuwe industrieën en technologieën zoals elektronica en informatietechnologie hebben veel meer innovatiesucces. De onderzoekers vestigen ook de aandacht op het 'crowding out'-debat: geld dat in militaire O&O wordt geïnvesteerd, kan mensen en middelen wegtrekken van O&O in de civiele sector, en dat terwijl die civiele sector veel sneller en transparanter output genereert. Op basis van hun onderzoek concluderen ze dat militaire O&O in de wereld van vandaag geen factor van economische groei is.

Wat betekent dit voor Vlaanderen? In 1999 formuleerde de Vlaamse Regering een principiële richtlijn met betrekking tot militaire projecten waaraan het Instituut voor de aanmoediging van innovatie door Wetenschap & Technologie in Vlaanderen (IWT) is gebonden. Deze richtlijn sluit zowel voor de steun aan de diverse projectvormen van wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling als voor de financiering van onderzoeksmandaten, de ondersteuning van projecten en mandaten die rechtstreeks leiden tot toepassingen in wapens en wapensystemen uit. De Vlaamse overheid verhindert of verbiedt dus op geen enkele manier de ontwikkeling van militaire O&O, ze wil daar alleen geen IWT-middelen aan besteden. Bovendien gaat het enkel om projecten die al in hun ontwikkelingsfase een rechtstreeks militair doel hebben. Het Vlaams Vredesinstituut heeft reeds in februari 2007 in een adviesnota voor het behoud van de IWT-richtlijn en voor de uitbreiding ervan naar het hele instrumentarium voor overheidssteun gepleit. Nu uit het onderzoek van Braddon en Dunne blijkt dat deze richtlijn niet alleen vanuit principieel oogpunt, maar ook vanuit economisch perspectief zinvol is, moet Vlaanderen ondubbelzinnig inzetten op civiele innovatieve sectoren met een maatschappelijke meerwaarde.

Tomas Baum, directeur Vlaams Vredesinstituut